lees verder hierrr
zaterdag 28 juni 2008
maandag 16 juni 2008
woensdag 11 juni 2008
zondag 8 juni 2008
R.I.P. Saban Bajramovic - The final interview
gepubliceerd in Mixed magazine 2008

Bij het bittere afscheid van een gipsy-crooner.
Net nu hij internationale erkenning krijgt, stopt Saban Bajramovic met optreden. Noodgedwongen, vanwege zijn gezondheid. Op bezoek bij een verbitterde King of Gipsy Music in Zuid-Servië.
Nazomer 2007, Servië zucht onder de zoveelste hittegolf deze zomer. Zo ook het zuidelijke Nis, niet ver van de Bulgaarse grens, met bijna 250.000 inwoners na Belgrado de grootste stad van het land. Tijdens de Kosovo-oorlog had Nis zwaar te lijden onder de omstreden clusterbommen van de NAVO en de Westerse boycot. De littekens hiervan zijn nog steeds zichtbaar. Tegenwoordig probeert de stad, een van de oudste steden op de Balkan, zich te verkopen als ‘kleurrijke Keizerstad’, vanwege de aanwezigheid van belangrijke Romeinse nederzettingen, waaronder de geboortegrond van Constantijn de Grote. Haar beroemdste, nog levende inwoner: Saban Bajramovic (1936), koning van de zigeunermuziek en waarschijnlijk de meest soulvolle zanger van de Balkan.
Rendez-vous
Een rendez-vous met Saban? Vergeet het maar. De legende gipsy-crooner heeft nogal een reputatie hoog te houden. Niet alleen die van legendarisch performer, die soms op een wit paard het podium op kwam rijden, maar ook die van onbetrouwbare drinker, gokker, fantast en manipulator. ‘He can screw you in one second’, aldus een ingewijde. Bij een concert twee weken eerder in Nis - de stad hangt nog vol met posters - liet hij 2500 toeschouwers tevergeefs wachten bij het grootste podium van de stad, de ‘Summer stage’. En dit geintje flikte hij niet voor het eerst. Een afspraak maken met Saban lijkt, kortom, weinig zin te hebben, want afspraken komt hij toch niet na. Of hij moet er veel geld voor krijgen, zoals hij overal veel geld voor wil, zo wordt beweerd. Een ploeg van de BBC is ooit zonder interview naar huis gegaan omdat hij heel veel geld vroeg.
Toch maar even bellen. Het haalt aanvankelijk weinig uit. Zijn mobiel blijkt afgesloten, thuis wordt er niet opgenomen. Ook na bemiddeling van een locale journalist en zelfs de oud-burgemeester van Nis, een groot Saban-fan, is de zigeunerkoning niet te traceren. Dan, na twee dagen bellen, krijgt tolk Vladimir iemand aan de telefoon: Milica, zijn vrouw. ‘Saban?’ Na tien minuten: ‘Saban heeft weinig zin, maar als je nu meteen komt maak je misschien kans. Over twee uur moet hij weer in het ziekenhuis zijn.’
Gezondheid
De zigeunerkoning blijkt in een bescheiden wit bakstenen huis te wonen aan de rand van de stad en aan de voet van een berg. Geen slechte wijk, een mix van burgers en gegoede zigeuners. Pal naast zijn huis staat zijn ietsje minder bescheiden witte Mercedes. Saban heeft zich in de schaduw genesteld, waar het vandaag nog bijna dertig graden is. Wit Diesel-shirt, bril met dikke glazen en een tattoo, overgehouden uit de gevangenis (zie kader), op zijn ontblote arm. Zweetdruppels lopen over zijn voorhoofd, hij praat moeizaam. ‘Nis is mijn stad’, zegt hij, terwijl hij limonade inschenkt. ‘Het is hier overzichtelijk en rustig, er is frisse lucht en de mensen zijn er nog vriendelijk. Ik ben altijd behoedzaam geweest voor het grote Belgrado, met z’n managers en zogenaamde ‘big contracts’.’
Het gaat erg goed met hem, meldt de ‘kralj ciganske pesme’, ‘King of gipsy song’, zoals hij door de tolk consequent wordt aangesproken. Of beter gezegd: het gaat eigenlijk helemaal niet goed met hem. Saban heeft een gezondheidsprobleem, z’n hart, plus ook nog ‘s diabetes. De problemen zijn zo ernstig dat hij noodgedwongen dit jaar nog gaat stoppen met optreden, zo deelt hij mee, trekkend aan zijn zoveelste filtersigaret. De laatste maanden maakt Saban een dagelijkse gang naar het ziekenhuis en treedt hij alleen nog dicht bij huis op, ook al komen er volgens hem verzoeken uit de hele wereld. Grootse plannen voor een ‘wereldtournee’ zijn afgeblazen.
Saban Bajramovic was in voormalig Joegoslavië al een legende in het Tito-tijdperk, zowel onder het volk als onder intelligentsia, maar sinds de grote Goran Bregovic zijn liedjes oppikte, ging zijn ster ook internationaal schijnen. En dankzij de Amsterdams Bosnische fan Dragi Sestic, de producer van onder meer Mostar Sevdah Reunion, die hem definitief uit de vergetelheid ontrukte. En nu lift Saban weer lekker mee op de West-Europese Balkan-hype. Prachtig, dat succes in het Westen, vindt hijzelf, zo mooi dat hij er zich bijna schuldig over voelt.
Maar het internationale succes komt te laat voor de 71-jarige Serviër. Bovendien ziet hij er - naar eigen zeggen - nauwelijks een cent van terug. Bregovic, Ljiljana Petrovic (tegenwoordig Buttler), ze stalen en stelen zijn songs. Niet alleen in de Balkan, zelfs helemaal in Brazilië, Uruguay en Chili gingen mensen er ongevraagd met zijn liedjes vandoor. Zegt hij. Het maakt hem tot een verbitterd man.
Ook de toekomst van de zigeunermuziek ziet Bajramovic somber in. ‘Ik maak me misschien niet populair door het te zeggen, maar er is niemand die mij kan opvolgen. Er is geen nieuwe Saban. Niemand met mijn charme, met mijn talent.’ Ook van zijn kinderen, vier volwassen dochters, hoeft hij niet veel te verwachten. Ze wonen in Duitsland en Denemarken en hebben niets met zigeunermuziek. Bovendien zijn ze behoorlijk gebrouilleerd met hun ‘moeilijke’ vader, zo wordt althans beweerd in Nis. Ach, misschien dat een van zijn twaalf kleinkinderen het stokje toch nog overneemt, mijmert de zanger.
Aan het einde van het – gratis! - gesprek slaat de stemming om en is daar ineens de grillige, onvoorspelbare Saban Bajramovic. Van de geplande fotosessie komt niets terecht. Nee, geen foto’s bij de witte Mercedes, want dan zou hij maar gestolen worden. En nee, datzelfde geldt voor zijn huis. En nee, eigenlijk wil hij zelf ook helemaal niet meer op de foto. Het is mooi geweest, wegwezen nu.
Saban Bajramovic – 40 jaar Gipsy Soul
Over het leven van Saban Bajramovic (16 april 1936, geboren en getogen in de ‘mahala’- het zigeunergetto - van Nis) zijn zoveel verhalen verteld dat feiten en fictie niet altijd te onderscheiden zijn. We beperken ons tot de (vrijwel) zekerheden. Vanaf zijn achttiende zat Saban wegens desertie een straf uit van ruim vijf jaar op Tito’s beruchte gevangeniseiland Goli Otok. In de gevangenis - die hij later als zijn ‘levensuniversiteit’ bestempelde - begon hij in een jazzband te zingen. Eenmaal vrij richtte hij zijn eigen groep Crna Mamba op, waarmee hij de halve wereld afreisde. Hij trad onder meer op voor Jawaharlal Nehru en zijn dochter Indira Gandhi.
De rebelse Saban leefde een ruig, extravagant leven, maar nam desondanks zo’n twintig albums en vijftig singles op, zijn eerste in 1964. Hij schreef zo’n 650 songs. Van zijn eerste serieuze verdiensten kocht hij, naar verluidt, een witte Mercedes, en huurde hij twee bodyguards in.
Saban acteerde en zong in de films Sunday Lunch (1982), Andjeo Cuvar/Guardian Angel (1987) en Gipsy Magic (1997). Als zanger brak hij internationaal door onder leiding van producer en (‘her’)ontdekker Dragi Sestic, de Bosnisch Amsterdammer die ook verantwoordelijk is voor Mostar Sevdah Reunion en de ‘wederopstanding’ van zigeunerdiva Ljiljana Buttler. Saban was te horen op het prachtalbum A Gypsy Legend, uitgebracht op het label World Connection, en op cd’s van Mostar Sevdah Reunion en Buttler en in 2001. De definitieve doorbraak volgde na Tales and Songs from Weddings & Funerals (2002) van Goran Bregovic, waarop Saban onder andere te horen is op de songs ‘Hop hop hop’, ‘Sex’ and ‘Maki Maki’. Ook nam Saban deel aan het project Queens & Kings van Fanfare Ciocarlia. De laatste tijd keert zijn naam regelmatig terug op hippe ‘Balkan Beats’-compilaties, onder meer van DJ Shantel. Recent werd er een film (‘Saban’) over zijn leven gemaakt door de Serviër Milos Stojanovic. Op Snail Records van Dragi Sestic verscheen de soundtrack van de film, waarop de Servische zigeunerkoning met Mostar Sevdah Reunion te horen is, naast gastmuzikant ‘King’ Naat Veliov, stertrompettist van het Macedonische Kocani Orkestar.

Bij het bittere afscheid van een gipsy-crooner.
Net nu hij internationale erkenning krijgt, stopt Saban Bajramovic met optreden. Noodgedwongen, vanwege zijn gezondheid. Op bezoek bij een verbitterde King of Gipsy Music in Zuid-Servië.
Nazomer 2007, Servië zucht onder de zoveelste hittegolf deze zomer. Zo ook het zuidelijke Nis, niet ver van de Bulgaarse grens, met bijna 250.000 inwoners na Belgrado de grootste stad van het land. Tijdens de Kosovo-oorlog had Nis zwaar te lijden onder de omstreden clusterbommen van de NAVO en de Westerse boycot. De littekens hiervan zijn nog steeds zichtbaar. Tegenwoordig probeert de stad, een van de oudste steden op de Balkan, zich te verkopen als ‘kleurrijke Keizerstad’, vanwege de aanwezigheid van belangrijke Romeinse nederzettingen, waaronder de geboortegrond van Constantijn de Grote. Haar beroemdste, nog levende inwoner: Saban Bajramovic (1936), koning van de zigeunermuziek en waarschijnlijk de meest soulvolle zanger van de Balkan.
Rendez-vous
Een rendez-vous met Saban? Vergeet het maar. De legende gipsy-crooner heeft nogal een reputatie hoog te houden. Niet alleen die van legendarisch performer, die soms op een wit paard het podium op kwam rijden, maar ook die van onbetrouwbare drinker, gokker, fantast en manipulator. ‘He can screw you in one second’, aldus een ingewijde. Bij een concert twee weken eerder in Nis - de stad hangt nog vol met posters - liet hij 2500 toeschouwers tevergeefs wachten bij het grootste podium van de stad, de ‘Summer stage’. En dit geintje flikte hij niet voor het eerst. Een afspraak maken met Saban lijkt, kortom, weinig zin te hebben, want afspraken komt hij toch niet na. Of hij moet er veel geld voor krijgen, zoals hij overal veel geld voor wil, zo wordt beweerd. Een ploeg van de BBC is ooit zonder interview naar huis gegaan omdat hij heel veel geld vroeg.
Toch maar even bellen. Het haalt aanvankelijk weinig uit. Zijn mobiel blijkt afgesloten, thuis wordt er niet opgenomen. Ook na bemiddeling van een locale journalist en zelfs de oud-burgemeester van Nis, een groot Saban-fan, is de zigeunerkoning niet te traceren. Dan, na twee dagen bellen, krijgt tolk Vladimir iemand aan de telefoon: Milica, zijn vrouw. ‘Saban?’ Na tien minuten: ‘Saban heeft weinig zin, maar als je nu meteen komt maak je misschien kans. Over twee uur moet hij weer in het ziekenhuis zijn.’
Gezondheid
De zigeunerkoning blijkt in een bescheiden wit bakstenen huis te wonen aan de rand van de stad en aan de voet van een berg. Geen slechte wijk, een mix van burgers en gegoede zigeuners. Pal naast zijn huis staat zijn ietsje minder bescheiden witte Mercedes. Saban heeft zich in de schaduw genesteld, waar het vandaag nog bijna dertig graden is. Wit Diesel-shirt, bril met dikke glazen en een tattoo, overgehouden uit de gevangenis (zie kader), op zijn ontblote arm. Zweetdruppels lopen over zijn voorhoofd, hij praat moeizaam. ‘Nis is mijn stad’, zegt hij, terwijl hij limonade inschenkt. ‘Het is hier overzichtelijk en rustig, er is frisse lucht en de mensen zijn er nog vriendelijk. Ik ben altijd behoedzaam geweest voor het grote Belgrado, met z’n managers en zogenaamde ‘big contracts’.’
Het gaat erg goed met hem, meldt de ‘kralj ciganske pesme’, ‘King of gipsy song’, zoals hij door de tolk consequent wordt aangesproken. Of beter gezegd: het gaat eigenlijk helemaal niet goed met hem. Saban heeft een gezondheidsprobleem, z’n hart, plus ook nog ‘s diabetes. De problemen zijn zo ernstig dat hij noodgedwongen dit jaar nog gaat stoppen met optreden, zo deelt hij mee, trekkend aan zijn zoveelste filtersigaret. De laatste maanden maakt Saban een dagelijkse gang naar het ziekenhuis en treedt hij alleen nog dicht bij huis op, ook al komen er volgens hem verzoeken uit de hele wereld. Grootse plannen voor een ‘wereldtournee’ zijn afgeblazen.
Saban Bajramovic was in voormalig Joegoslavië al een legende in het Tito-tijdperk, zowel onder het volk als onder intelligentsia, maar sinds de grote Goran Bregovic zijn liedjes oppikte, ging zijn ster ook internationaal schijnen. En dankzij de Amsterdams Bosnische fan Dragi Sestic, de producer van onder meer Mostar Sevdah Reunion, die hem definitief uit de vergetelheid ontrukte. En nu lift Saban weer lekker mee op de West-Europese Balkan-hype. Prachtig, dat succes in het Westen, vindt hijzelf, zo mooi dat hij er zich bijna schuldig over voelt.
Maar het internationale succes komt te laat voor de 71-jarige Serviër. Bovendien ziet hij er - naar eigen zeggen - nauwelijks een cent van terug. Bregovic, Ljiljana Petrovic (tegenwoordig Buttler), ze stalen en stelen zijn songs. Niet alleen in de Balkan, zelfs helemaal in Brazilië, Uruguay en Chili gingen mensen er ongevraagd met zijn liedjes vandoor. Zegt hij. Het maakt hem tot een verbitterd man.
Ook de toekomst van de zigeunermuziek ziet Bajramovic somber in. ‘Ik maak me misschien niet populair door het te zeggen, maar er is niemand die mij kan opvolgen. Er is geen nieuwe Saban. Niemand met mijn charme, met mijn talent.’ Ook van zijn kinderen, vier volwassen dochters, hoeft hij niet veel te verwachten. Ze wonen in Duitsland en Denemarken en hebben niets met zigeunermuziek. Bovendien zijn ze behoorlijk gebrouilleerd met hun ‘moeilijke’ vader, zo wordt althans beweerd in Nis. Ach, misschien dat een van zijn twaalf kleinkinderen het stokje toch nog overneemt, mijmert de zanger.
Aan het einde van het – gratis! - gesprek slaat de stemming om en is daar ineens de grillige, onvoorspelbare Saban Bajramovic. Van de geplande fotosessie komt niets terecht. Nee, geen foto’s bij de witte Mercedes, want dan zou hij maar gestolen worden. En nee, datzelfde geldt voor zijn huis. En nee, eigenlijk wil hij zelf ook helemaal niet meer op de foto. Het is mooi geweest, wegwezen nu.
Saban Bajramovic – 40 jaar Gipsy Soul
Over het leven van Saban Bajramovic (16 april 1936, geboren en getogen in de ‘mahala’- het zigeunergetto - van Nis) zijn zoveel verhalen verteld dat feiten en fictie niet altijd te onderscheiden zijn. We beperken ons tot de (vrijwel) zekerheden. Vanaf zijn achttiende zat Saban wegens desertie een straf uit van ruim vijf jaar op Tito’s beruchte gevangeniseiland Goli Otok. In de gevangenis - die hij later als zijn ‘levensuniversiteit’ bestempelde - begon hij in een jazzband te zingen. Eenmaal vrij richtte hij zijn eigen groep Crna Mamba op, waarmee hij de halve wereld afreisde. Hij trad onder meer op voor Jawaharlal Nehru en zijn dochter Indira Gandhi.
De rebelse Saban leefde een ruig, extravagant leven, maar nam desondanks zo’n twintig albums en vijftig singles op, zijn eerste in 1964. Hij schreef zo’n 650 songs. Van zijn eerste serieuze verdiensten kocht hij, naar verluidt, een witte Mercedes, en huurde hij twee bodyguards in.
Saban acteerde en zong in de films Sunday Lunch (1982), Andjeo Cuvar/Guardian Angel (1987) en Gipsy Magic (1997). Als zanger brak hij internationaal door onder leiding van producer en (‘her’)ontdekker Dragi Sestic, de Bosnisch Amsterdammer die ook verantwoordelijk is voor Mostar Sevdah Reunion en de ‘wederopstanding’ van zigeunerdiva Ljiljana Buttler. Saban was te horen op het prachtalbum A Gypsy Legend, uitgebracht op het label World Connection, en op cd’s van Mostar Sevdah Reunion en Buttler en in 2001. De definitieve doorbraak volgde na Tales and Songs from Weddings & Funerals (2002) van Goran Bregovic, waarop Saban onder andere te horen is op de songs ‘Hop hop hop’, ‘Sex’ and ‘Maki Maki’. Ook nam Saban deel aan het project Queens & Kings van Fanfare Ciocarlia. De laatste tijd keert zijn naam regelmatig terug op hippe ‘Balkan Beats’-compilaties, onder meer van DJ Shantel. Recent werd er een film (‘Saban’) over zijn leven gemaakt door de Serviër Milos Stojanovic. Op Snail Records van Dragi Sestic verscheen de soundtrack van de film, waarop de Servische zigeunerkoning met Mostar Sevdah Reunion te horen is, naast gastmuzikant ‘King’ Naat Veliov, stertrompettist van het Macedonische Kocani Orkestar.
donderdag 5 juni 2008
vrijdag 30 mei 2008
woensdag 28 mei 2008
Armando: het leven is niet gezellig

(uit: Brabants Dagblad 26 mei 2008)
door Dieter van den Bergh
Kunstenaar en (gipsy)violist in ruste Armando verzorgt donderdag in 013 een eenmalige reünie van het legendarische Herenleed. Muzikaal omlijst door het bevriende Nello Mirando zigeunerensemble.
“Moet je dat uitzicht zien, ongelooflijk toch? Ik snap wel dat je hier bent gaan wonen, ouwe.” Toch zou Nello Mirando de muisstille flat van zijn ‘oudere broertje’ en ‘kameraad’ Armando aan de rand van Amstelveen nooit willen ruilen voor zijn huis in bruisend Amsterdam. Hoewel Armando nog dagelijks geniet van het oer-Hollandse panorama over de uitgestrekte Bovenkerkerpolder, wil hij toch verhuizen. “Ze gaan hier misschien bouwen. Ik wil weer naar Berlijn”, mijmert de charismatische kunstenaar in zijn fauteuil, te midden van vele boeken en Afrikaanse beelden. Als zijn gezondheid het toelaat dan. Armando - joggingbroek, blote voeten en looprekje binnen handbereik - heeft ouderdomssuiker. “Ze zijn ook in Amersfoort voor me aan het zoeken.” De stad waar hij rond de oorlog opgroeide, in de nabijheid van Kamp Amersfoort. De herinneringen aan de oorlog vormen de rode draad van zijn werk.
In 1998 kreeg Armando in Amersfoort een eigen museum, dat in september in vlammen opging. “Een ramp,” zegt hij hierover, om er direct aan toe te voegen: “Maar laten we het niet over mij hebben, je moet Nello hebben.” Met pretoogjes: “Al ben ik natuurlijk een hele belangrijke kunstenaar.”
Jarenlang woonde en werkte Armando (Amsterdam 1929, zijn geboortenaam Herman Dirk van Dodeweerd zwoor hij af) in Berlijn. Een weerbarstig kunstenaar en alleskunner. Schilder, schrijver, acteur, dichter, beeldhouwer, filmmaker, maar - minder bekend - ook een verdienstelijk violist. Specialiteit: zigeunermuziek. Hij speelde jaren mee met het Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando, met daarin ook Tata’s zoon Nello Mirando. Enkele jaren geleden hing Armando zijn viool aan de wilgen. Hij had er geen zin meer in. Sindsdien heeft hij geen viool meer aangeraakt. “Ik ben wel altijd jaloers als ik de Mirando’s zie spelen. Maar ik zou het lichamelijk niet meer kunnen. Dan val ik om.”
Toch staat (of beter: zit) Armando donderdag op de bühne van 013 tijdens een ‘muzikaal-poëtische avond’ als opwarmer voor het 12e Gipsy Festival in Tilburg het weekend erna. Een zigeunerensemble met Nello Mirando als primas - leider - treedt op en Armando presenteert een eenmalige reünie van Herenleed, het tv- en theaterprogramma waarmee hij en boezemvriend Cherry Duyns en (wijlen) Johnny van Doorn in de jaren zeventig en tachtig furore maakten. Velen bleven er voor thuis, anderen ergerden zich mateloos aan haar absurdistische variété-slapstick. Eén keer eerder, in 1990, stond Herenleed samen met een Mirando-orkest op het podium. Dat ging helemaal mis, vertelt Nello. “Het hele orkest kreeg de slappe lach, we konden niet meer verder spelen. Hopelijk blijft die ramp ons in Tilburg bespaard.”
Van 1948 tot 1988 verwaarloosde Armando zijn viool. Tot de doop van Armando’s bekroonde boek De straat en het Struikgewas in het Concertgebouw, waar het Mirando-orkest was uitgenodigd. Nello: “Na afloop duwde Tata hem een viool in handen. Spelen! Kort daarna, op zijn zestigste verjaardag speelde die ouwe gek al met ons mee. En niet omdat hij Armando is. Een niet-zigeuner die zó viool speelt, ga ze maar ‘s zoeken.” Armando: “We zijn overal geweest. Hebben in het Concertgebouw gestaan, we hebben platen gemaakt. Een jongensdroom.”
Nello Mirando (52) speelt viool vanaf zijn derde en was ooit de jongste violist van het land. Hij werd geboren met een ruggenmergaandoening, waardoor hij maar met tweeëneenhalve vinger kan spelen. “Ik heb geen kracht, geen macht en geen gevoel,” zegt Nello, die binnenkort voor de tweede keer wordt geopereerd. Armando: “Gek genoeg hoor je daar niets van. Nello doet niet onder voor Django [Reinhardt], die ook met twee vingers speelde.”
De oudste Tata-telg groeide al reizende op. “Tata moest spelen, en hup, wij er met de wagen achteraan.” Op zijn twaalfde betrok het gezin een huis in Arnhem. “Muziek zit de zigeuner in het bloed, zeggen ze. Lazer toch op man. Als je de verkeerde mentaliteit hebt wordt het echt niks.” Nello kreeg een Spartaanse opvoeding. “Ik werd opgesloten in mijn kamertje om te oefenen. Maar het werkte wel. En zo erg was het niet hoor. Dadelijk staat er morgen in de krant: ‘Tata Mirando sloot jarenlang zijn kinderen op!’”
Waarom zigeunermuziek? Armando wijst naar zijn hart. “Je hebt het of je hebt het niet, dat kun je niet uitleggen. Ik hoorde die muziek al voor de oorlog op Radio Boedapest. Kort daarna hoorde ik Nello’s grootvader spelen in Amersfoort. Ik was verkocht. Zigeunermuziek kun je niet leren, het komt aanwaaien.” Nello: “Je kiest er niet voor. Het is een moeten. Net als nieuwe haring.” Armando: “Zonder uitjes, graag naturel. Ach, je moet zo nodig kunstenaar worden, al doet het overal pijn. Ook financieel. Tot mijn vijftigste verdiende ik niets. Heb de gekste dingen gedaan om die idiote schilderijen te kunnen maken. In de haven gewerkt, in de de brouwerij, als behanger.” Nello (lachend): “Als danseres bij het Nationaal Ballet. Man man, die ouwe is zo streng voor zichzelf. Heeft alles over voor z’n vak.”
Voor Armando is muziek een volwaardig onderdeel van zijn Gesamtkunstwerk, zoals hij al zijn werk samen beschouwt. Zeker geen hobby. “Ja zeg, sodemieter op. Een hobby is leuk en gezellig. Voor de lol muziek maken, dat doe je niet. Goede muziek is nooit gezellig, en zeker niet leuk. Rotwoorden, dat zijn het.”
Nello: “Zigeunermuziek is meer dan amusementsmuziek. Door mensen als Armando, die ons in het Concertgebouw neerzette, wordt onze muziek serieus genomen. Ik heb alles aan hem te danken. Zonder Armando stonden we nu nog in restaurants en buurtcentra.”
Ondanks zijn leeftijd en gezondheid denkt de 78-jarige Armando niet aan afbouwen. “Ik zou weer een stad willen veroveren, zoals ik Berlijn veroverde. Ik denk aan Madrid, Milaan of Rome. En als ik geld had, zou ik onmiddellijk naar Amerika verhuizen. Maar ik krijg nauwelijks pensioen, omdat ik zo lang in Duitsland heb gewoond. Ik heb bovendien geen tijd. Ik maak grote sculpturen, er komt een boek aan. De kunstenaar moet verder.” Nello: “Die ouwe gaat nog zó hard, daar kunnen al die kleine lulletjes veel van leren.” Armando: “Ik werk in ieder geval tot de dood erop volgt. Daarna zien we wel weer verder.”
Armando, Cherry Duyns en Nello Mirando Ensemble, donderdag 22 mei 013 Tilburg. 20.30u, 15 euro. www.gispyfestival.nl
maandag 26 mei 2008
zaterdag 24 mei 2008
Ethiopunk & Zerfu Demissie
Ze waren verantwoordelijk voor de meest onwaarschijnlijke kruisbestuiving van het jaar. Maar misschien ook wel de meest geslaagde. De Hollandse punkband The Ex en de in eigen land gevierde Ethiopische saxofonist Gétatchèw Mèkurya vonden eigenhandig het genre ‘ethiopunk’ uit. Dat pentatonische Ethiopische funk/souljazz en anarchistische avantgarde-punk een volstrekt vanzelfsprekende combinatie blijkt, was al te horen op de cd Moa Anbessa. Op de dvd 11 (ethio-punk) songs, opgenomen in de Ethiopiques-serie, wordt ons een kijkje in de ‘geschiedenis’ van de ethiopunk gegund. Van repetitie naar studio naar ijzersterke live-opnames in Parijs. Terrie Ex, gitarist van, en pleitbezorger van de Ethiopische muziek, nam voor zijn Terp Records ook nieuw werk op met harpspeler Zerfu Demissie. Akotet werd een van de meest bizarre wereldmuziekplaten ooit. Demissie zingt en bespeelt een oude, voor religieuze doeleinden aangewende tiensnarige lier. Maar dan versterkt; je weet niet wat je hoort. Een vooroorlogse synthesizer? Een op hol geslagen spelcomputer? Monotone mystiek, fascinerend.
Gabi Luncă: wicked sounds from a bygone age
Gabi Luncă- Sounds from a Bygone Age (Volume 5) (Asphalt Tango/MW Records)
Ze was topzangeres en een charismatisch performer. En de best betaalde zangeres in de mahala’s, de Roemeense zigeunergetto’s. Maar haar talent had voor Gabi Luncă een keerzijde. Ook Nicolae en Elena Ceauşescu waren fan. Werd het opgedwongen staatsfolklore of toch haar eigen ‘hardcore’ muzica lautareasca? Luncă deed een beetje van beide. Voor de serie Sounds from a Bygone Age dook het Berlijnse Asphalt Tango-label voor de vijfde keer in de archieven van staatsstudio Electrecord en kwam er uit met een fraaie, tijdloze verzameling Luncă-songs uit de periode 1956-1978. Met virtuoze hulp van echtgenoot/accordeonist Ion Onoriu, trompettist Costel Vasilescu en cimbaalheld Toni Iordache brengt diva Luncă soulvolle, soms variétéachtige lautari-songs, een zoete, wat lichtvoetiger variant op Taraf de Haïdouks. Belangwekkend document van een legende uit de gouden tijd van de Roemeense zigeunermuziek. Een levende legende zelfs, Luncă wordt binnenkort zeventig. Ze zingt nog steeds, zij het alleen in kringen rond de Pinkstergemeente.
Ze was topzangeres en een charismatisch performer. En de best betaalde zangeres in de mahala’s, de Roemeense zigeunergetto’s. Maar haar talent had voor Gabi Luncă een keerzijde. Ook Nicolae en Elena Ceauşescu waren fan. Werd het opgedwongen staatsfolklore of toch haar eigen ‘hardcore’ muzica lautareasca? Luncă deed een beetje van beide. Voor de serie Sounds from a Bygone Age dook het Berlijnse Asphalt Tango-label voor de vijfde keer in de archieven van staatsstudio Electrecord en kwam er uit met een fraaie, tijdloze verzameling Luncă-songs uit de periode 1956-1978. Met virtuoze hulp van echtgenoot/accordeonist Ion Onoriu, trompettist Costel Vasilescu en cimbaalheld Toni Iordache brengt diva Luncă soulvolle, soms variétéachtige lautari-songs, een zoete, wat lichtvoetiger variant op Taraf de Haïdouks. Belangwekkend document van een legende uit de gouden tijd van de Roemeense zigeunermuziek. Een levende legende zelfs, Luncă wordt binnenkort zeventig. Ze zingt nog steeds, zij het alleen in kringen rond de Pinkstergemeente.
vrijdag 23 mei 2008
donderdag 8 mei 2008
dinsdag 6 mei 2008
dinsdag 29 april 2008
vrijdag 18 april 2008
donderdag 17 april 2008
woensdag 26 maart 2008
donderdag 20 maart 2008
vrijdag 14 maart 2008
vrijdag 7 maart 2008
dinsdag 29 januari 2008
Bommen en schedels
(NRC Handelsblad)
Niš is de tweede, maar onbekende stad van Servië. Toch biedt de karakteristieke keizerstad opvallende bezienswaardigheden zoals een Ottomaans fort, een concentratiekamp en schedeltoren, canyons en een ‘communistisch’ kuuroord. Maar toeristen zijn er amper.
Nazomer in Niš. De stad zucht onder de zoveelste hittegolf van dit jaar. De warmte maakt de stank van uitlaatgassen en industrie nog penetranter. Het zuidelijke Niš, met zo’n kwart miljoen inwoners de tweede stad van Servië, is met haar oriëntaalse atmosfeer, zware industrie en hectische verkeer een typische Balkanstad. Niš, gelegen aan de Nišava-rivier op het kruispunt Belgrado-Sofia-Skopje, is dan misschien een stinkstad, wel een boeiende stinkstad.
Bommen
In 1999, tijdens de Kosovo-oorlog, heeft de stad het zwaar te verduren gehad. De NAVO gooide zo’n 265.000 bommen op Kosovo en Servië om het bewind van Slobodan Milošević verder onder druk te zetten. Niš ironisch genoeg de stad van waaruit het verzet tegen Milošević begon, werd het zwaarst getroffen. Naast militaire doelen werd abusievelijk ook de markt, een woonwijk en een ziekenhuis geraakt, met minstens zestien burgerslachtoffers en tientallen gewonden tot gevolg. De stad draagt er nog de littekens van.
Ook liggen er nog onontplofte bommen, die pas recent door de NAVO in kaart zijn gebracht. Op het pleintje voor de markt, weer dagelijks in bedrijf, werd een kapelletje opgericht voor de slachtoffers. Een steenworp verder bevindt zich Hostel Niš. De muren van het gebouw zitten vol kleine bominslagen. “Als ik dit op straat vertel, word ik misschien wel gelyncht,” fluistert een medewerker van het hostel, “maar die bommen, die zijn eigenlijk heel goed geweest. Eindelijk veranderde er iets in Servië.
Backpackers
Hoewel de levensstandaard er een van de laagste van Europa is, krabbelt het land heel langzaam op van de nasleep van de Balkanoorlogen en het internationale isolement. Al is ‘Kosovo’ nog een heikel punt. Maar de weg vanuit het Westen ligt weer open. Er zijn zelfs weer toeristen die durven te komen, vertelt hostelbaas Vladimir Dordević, al is het mondjesmaat. Hij moet het nu nog vooral hebben van studenten van de nabijgelegen universiteit, met maar liefst 30.000 studenten, of van avontuurlijke backpackers, op doorreis naar Athene en Istanbul, of richting Westen, naar Boedapest en Wenen.
'Kleurrijke Keizerstad'
Ook de stad zelf heeft ingezet op meer toeristen, en probeert zich te verkopen als ‘Kleurrijke Keizerstad’.Toeristische potentie is er zeker. Niet alleen het klimaat is er aangenaam, het karakteristieke Niš - Naissus, ‘stad van de nimfen’ in de Romeinse Rijk - heeft, naast waarschijnlijk ’s lands grootste ondergrondse winkelcentrum, een rijk historisch erfgoed. Het is één van de oudste Balkansteden, met een aantal opvallende bezienswaardigheden. Zoals de geboortegrond van de stichter van Constantinopel, de Romeinse keizer Constantijn de Grote, aan de rand van de stad op de uitgestrekte archeologische vindplaats Mediana. Er zijn ruïnes van zijn oude villa, overkoepeld door een museum, restanten van badhuizen en eeuwenoude mozaïeken en fresco’s. Enkele kilometers oostwaarts ligt tegen de groene heuvels het opgeruimde resort Niška Banja, waar je in warm, radioactief bergwater ouderwets kunt kuren in communistische sferen (zie kader). Ook ideaal om de hectiek van de stad te ontvluchten zijn de vaak fraaie kloosters en kerkjes in de heuvels - waaronder de 11e-eeuwse Latijnse kerk bij Gornji Matejevac - of de indrukwekkende zeventien kilometer lange Sićevo-canyon door het Suva Planina-gebergte (1800 meter), op weg naar Bulgarije. De trein naar Sofia doorkruist de kloof.
Concentratiekamp
Terug in de stad, en van hele andere toeristische orde, is Crveni Krst, een zeldzaam goed geconserveerd concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog. Het desolate kamp ligt midden in de stad, pal achter het busstation en grenzend aan het zigeunergetto. Er zaten zo’n 30.000 partizanen, communisten, Roma en Joden gevangen. Op de Bubanj-heuvel buiten de stad (tegenwoordig een groots monument) werden twaalfduizend gevangenen gefusilleerd.
Schedeltoren
Aan de oude weg naar Istanbul een andere lugubere bezienswaardigheid: de curieuze Schedeltoren, Ćele Kula. De toren, licht beschadigd tijdens de bombardementen van 1999, werd door de Turken opgebouwd uit bijna duizend schedels van Serviërs, gesneuveld in een veldslag in 1809. Veel hoofden zijn verdwenen, maar er zijn er nog genoeg over om koude rillingen van te krijgen. De toren wordt door een suppoost apart geopend voor iedere bezoeker, die een minuut of tien mag rondneuzen. Dit beladen symbool van Servisch martelaarsschap werd internationaal bekend nadat de beroemde Franse dichter Alphonse de Lamartine er over berichtte in zijn boek Voyage en Orient(1835). ‘Laat de Serven dit monument behouden! Laat hun kinderen zien hoe hoog de tol was die hun vaders betaalden om een onafhankelijk volk te worden.’ Aan diezelfde Servische strijd tegen de Turken herinnert een torenmonument op de nabijgelegen Čegar-heuvel.
De Turken bouwden in Niš rond 1720 ook een vesting, aan de oevers van de rivier. Het fort, een van de oudste op de Balkan, is nog steeds de trots van de stad. Het vijfentwintig hectare grote terrein bevat naast veel groen en Romeinse vondsten, een oude moskee en een 14e-eeuws badhuis dat nu een restaurant is, nog steeds verdeeld in een mannen- en vrouwenvleugel. Maar wie een vrolijk tochtje met het toeristische treintje door het park maakt, kan ook niet om andere overblijfselen heen: een paar afgebrande gebouwen, stille getuigen van een recenter verleden.
Communistisch kuren in Niška Banja
Wie door Servië reist, kan niet om de vervuiling heen. In Niška Banja - ‘de spa van Niš’ - is hier weinig van te merken. Met haar straatvegers en recordaantal vuilnisbakken is het dorp waarschijnlijk de meest opgeruimde plek van het land. En met haar rustieke pleinen, fonteinen, promenades en groene parken ook een van de meest idyllische. De politie surveilleert non-stop in het kuuroord op acht kilometer van Niš, niet in de laatste plaats om de zigeuners in de gaten te houden die op het (gratis) vloeibare goud afkomen, en op de toeristen. Niška Banja, fraai gelegen aan de voet van de Suva Planina-bergen, stamt uit de Romeinse tijd. De restanten van een antiek badhuis zijn de oudste getuigen. Het resort is bekend van haar warme bronwater, 36 tot 38 graden, dat - zo beweert men - een helende werking heeft op vooral mensen met hart- of vaatziekten en reumapatiënten. Veel bezoekers baden met hun voeten in het water, dat in kanaaltjes stomend door het park meandert en ook gebruikt wordt in de thermen, modder- en zwembaden. Het water bevat een concentratie radon, een radioactief edelgas, dat geneeskrachtig zou zijn.
Rundown
Hoewel opgeruimd, is ook het predikaat ‘rundown’ van toepassing op Niška Banja. De stijlvolle oude villa’s, de orthodoxe kerk en de antieke badhuizen, ze herinneren aan mondaine tijden, maar staan op instorten. Maar de (vooral Servische) toeristen blijven komen, op zoek naar genezing. Op een bevolking van 4000 zijn er 3500 bezoekersbedden, bij particulieren thuis of in comfortabele staatshotels als Partizan en Radon. De bedden zijn het hele jaar door goed gevuld. Maar de allure van weleer, die is verdwenen, zegt een bejaarde bewoonster van het dorp, die voor zes euro een kamer aanbiedt. “Je had hier 20 jaar geleden moeten komen. De partijbonzen, de filmsterren, de sporthelden, ze kwamen hier allemaal op bezoek.” Wie aanschuift in een van de communistische gaarkeukens of - na de nodige formaliteiten - een duik mag nemen in het zwembad onder Hotel Radon, wordt vanzelf twintig jaar terug in de tijd geworpen. Alleen een levensgroot portret van generaal Ratko Mladić op het kantoor van het lokale treinstationnetje verraadt bij het afscheid andere tijden. Net als de sigarettensmokkelaars die op het met smokkelwaar volgestouwde boemeltje richting Sofia stappen. Nog maar kort geleden ging de illegale handelswaar juist de andere kant op.
Info
Reis: Auto: Amsterdam-Niš is 2000 kilometer. Vliegtuig: vanuit Zürich, Sofia en Londen (Jat Airways/Thomsonfly). Trein: 15 uur boemelen vanuit Wenen.
Verblijf: Er zijn vijftien hotels, waaronder het kolossale Hotel Ambasador. Een goedkoper alternatief is Hostel Niš. Ook in Niška Banja zijn verschillende, luxe hotels. Het is ook mogelijk om bij mensen thuis te logeren.
Toeristinformatie: Niš is (nog) niet aan buitenlandse toeristen gewend. Op de twee plaatselijke mini-VVV’s is weinig info te krijgen en spreekt men geen Engels.
Eten: De beste plekken om goed(koop) te eten zijn de café-restaurants in de trendy uitgaanswijk rond de oude Ottomaanse Kopitareva-straat, ofwel ‘Tinkers Alley’.
Niš is de tweede, maar onbekende stad van Servië. Toch biedt de karakteristieke keizerstad opvallende bezienswaardigheden zoals een Ottomaans fort, een concentratiekamp en schedeltoren, canyons en een ‘communistisch’ kuuroord. Maar toeristen zijn er amper.
Nazomer in Niš. De stad zucht onder de zoveelste hittegolf van dit jaar. De warmte maakt de stank van uitlaatgassen en industrie nog penetranter. Het zuidelijke Niš, met zo’n kwart miljoen inwoners de tweede stad van Servië, is met haar oriëntaalse atmosfeer, zware industrie en hectische verkeer een typische Balkanstad. Niš, gelegen aan de Nišava-rivier op het kruispunt Belgrado-Sofia-Skopje, is dan misschien een stinkstad, wel een boeiende stinkstad.
Bommen
In 1999, tijdens de Kosovo-oorlog, heeft de stad het zwaar te verduren gehad. De NAVO gooide zo’n 265.000 bommen op Kosovo en Servië om het bewind van Slobodan Milošević verder onder druk te zetten. Niš ironisch genoeg de stad van waaruit het verzet tegen Milošević begon, werd het zwaarst getroffen. Naast militaire doelen werd abusievelijk ook de markt, een woonwijk en een ziekenhuis geraakt, met minstens zestien burgerslachtoffers en tientallen gewonden tot gevolg. De stad draagt er nog de littekens van.
Ook liggen er nog onontplofte bommen, die pas recent door de NAVO in kaart zijn gebracht. Op het pleintje voor de markt, weer dagelijks in bedrijf, werd een kapelletje opgericht voor de slachtoffers. Een steenworp verder bevindt zich Hostel Niš. De muren van het gebouw zitten vol kleine bominslagen. “Als ik dit op straat vertel, word ik misschien wel gelyncht,” fluistert een medewerker van het hostel, “maar die bommen, die zijn eigenlijk heel goed geweest. Eindelijk veranderde er iets in Servië.
Backpackers
Hoewel de levensstandaard er een van de laagste van Europa is, krabbelt het land heel langzaam op van de nasleep van de Balkanoorlogen en het internationale isolement. Al is ‘Kosovo’ nog een heikel punt. Maar de weg vanuit het Westen ligt weer open. Er zijn zelfs weer toeristen die durven te komen, vertelt hostelbaas Vladimir Dordević, al is het mondjesmaat. Hij moet het nu nog vooral hebben van studenten van de nabijgelegen universiteit, met maar liefst 30.000 studenten, of van avontuurlijke backpackers, op doorreis naar Athene en Istanbul, of richting Westen, naar Boedapest en Wenen.
'Kleurrijke Keizerstad'
Ook de stad zelf heeft ingezet op meer toeristen, en probeert zich te verkopen als ‘Kleurrijke Keizerstad’.Toeristische potentie is er zeker. Niet alleen het klimaat is er aangenaam, het karakteristieke Niš - Naissus, ‘stad van de nimfen’ in de Romeinse Rijk - heeft, naast waarschijnlijk ’s lands grootste ondergrondse winkelcentrum, een rijk historisch erfgoed. Het is één van de oudste Balkansteden, met een aantal opvallende bezienswaardigheden. Zoals de geboortegrond van de stichter van Constantinopel, de Romeinse keizer Constantijn de Grote, aan de rand van de stad op de uitgestrekte archeologische vindplaats Mediana. Er zijn ruïnes van zijn oude villa, overkoepeld door een museum, restanten van badhuizen en eeuwenoude mozaïeken en fresco’s. Enkele kilometers oostwaarts ligt tegen de groene heuvels het opgeruimde resort Niška Banja, waar je in warm, radioactief bergwater ouderwets kunt kuren in communistische sferen (zie kader). Ook ideaal om de hectiek van de stad te ontvluchten zijn de vaak fraaie kloosters en kerkjes in de heuvels - waaronder de 11e-eeuwse Latijnse kerk bij Gornji Matejevac - of de indrukwekkende zeventien kilometer lange Sićevo-canyon door het Suva Planina-gebergte (1800 meter), op weg naar Bulgarije. De trein naar Sofia doorkruist de kloof.
Concentratiekamp
Terug in de stad, en van hele andere toeristische orde, is Crveni Krst, een zeldzaam goed geconserveerd concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog. Het desolate kamp ligt midden in de stad, pal achter het busstation en grenzend aan het zigeunergetto. Er zaten zo’n 30.000 partizanen, communisten, Roma en Joden gevangen. Op de Bubanj-heuvel buiten de stad (tegenwoordig een groots monument) werden twaalfduizend gevangenen gefusilleerd.
Schedeltoren
Aan de oude weg naar Istanbul een andere lugubere bezienswaardigheid: de curieuze Schedeltoren, Ćele Kula. De toren, licht beschadigd tijdens de bombardementen van 1999, werd door de Turken opgebouwd uit bijna duizend schedels van Serviërs, gesneuveld in een veldslag in 1809. Veel hoofden zijn verdwenen, maar er zijn er nog genoeg over om koude rillingen van te krijgen. De toren wordt door een suppoost apart geopend voor iedere bezoeker, die een minuut of tien mag rondneuzen. Dit beladen symbool van Servisch martelaarsschap werd internationaal bekend nadat de beroemde Franse dichter Alphonse de Lamartine er over berichtte in zijn boek Voyage en Orient(1835). ‘Laat de Serven dit monument behouden! Laat hun kinderen zien hoe hoog de tol was die hun vaders betaalden om een onafhankelijk volk te worden.’ Aan diezelfde Servische strijd tegen de Turken herinnert een torenmonument op de nabijgelegen Čegar-heuvel.
De Turken bouwden in Niš rond 1720 ook een vesting, aan de oevers van de rivier. Het fort, een van de oudste op de Balkan, is nog steeds de trots van de stad. Het vijfentwintig hectare grote terrein bevat naast veel groen en Romeinse vondsten, een oude moskee en een 14e-eeuws badhuis dat nu een restaurant is, nog steeds verdeeld in een mannen- en vrouwenvleugel. Maar wie een vrolijk tochtje met het toeristische treintje door het park maakt, kan ook niet om andere overblijfselen heen: een paar afgebrande gebouwen, stille getuigen van een recenter verleden.
Communistisch kuren in Niška Banja
Wie door Servië reist, kan niet om de vervuiling heen. In Niška Banja - ‘de spa van Niš’ - is hier weinig van te merken. Met haar straatvegers en recordaantal vuilnisbakken is het dorp waarschijnlijk de meest opgeruimde plek van het land. En met haar rustieke pleinen, fonteinen, promenades en groene parken ook een van de meest idyllische. De politie surveilleert non-stop in het kuuroord op acht kilometer van Niš, niet in de laatste plaats om de zigeuners in de gaten te houden die op het (gratis) vloeibare goud afkomen, en op de toeristen. Niška Banja, fraai gelegen aan de voet van de Suva Planina-bergen, stamt uit de Romeinse tijd. De restanten van een antiek badhuis zijn de oudste getuigen. Het resort is bekend van haar warme bronwater, 36 tot 38 graden, dat - zo beweert men - een helende werking heeft op vooral mensen met hart- of vaatziekten en reumapatiënten. Veel bezoekers baden met hun voeten in het water, dat in kanaaltjes stomend door het park meandert en ook gebruikt wordt in de thermen, modder- en zwembaden. Het water bevat een concentratie radon, een radioactief edelgas, dat geneeskrachtig zou zijn.
Rundown
Hoewel opgeruimd, is ook het predikaat ‘rundown’ van toepassing op Niška Banja. De stijlvolle oude villa’s, de orthodoxe kerk en de antieke badhuizen, ze herinneren aan mondaine tijden, maar staan op instorten. Maar de (vooral Servische) toeristen blijven komen, op zoek naar genezing. Op een bevolking van 4000 zijn er 3500 bezoekersbedden, bij particulieren thuis of in comfortabele staatshotels als Partizan en Radon. De bedden zijn het hele jaar door goed gevuld. Maar de allure van weleer, die is verdwenen, zegt een bejaarde bewoonster van het dorp, die voor zes euro een kamer aanbiedt. “Je had hier 20 jaar geleden moeten komen. De partijbonzen, de filmsterren, de sporthelden, ze kwamen hier allemaal op bezoek.” Wie aanschuift in een van de communistische gaarkeukens of - na de nodige formaliteiten - een duik mag nemen in het zwembad onder Hotel Radon, wordt vanzelf twintig jaar terug in de tijd geworpen. Alleen een levensgroot portret van generaal Ratko Mladić op het kantoor van het lokale treinstationnetje verraadt bij het afscheid andere tijden. Net als de sigarettensmokkelaars die op het met smokkelwaar volgestouwde boemeltje richting Sofia stappen. Nog maar kort geleden ging de illegale handelswaar juist de andere kant op.
Info
Reis: Auto: Amsterdam-Niš is 2000 kilometer. Vliegtuig: vanuit Zürich, Sofia en Londen (Jat Airways/Thomsonfly). Trein: 15 uur boemelen vanuit Wenen.
Verblijf: Er zijn vijftien hotels, waaronder het kolossale Hotel Ambasador. Een goedkoper alternatief is Hostel Niš. Ook in Niška Banja zijn verschillende, luxe hotels. Het is ook mogelijk om bij mensen thuis te logeren.
Toeristinformatie: Niš is (nog) niet aan buitenlandse toeristen gewend. Op de twee plaatselijke mini-VVV’s is weinig info te krijgen en spreekt men geen Engels.
Eten: De beste plekken om goed(koop) te eten zijn de café-restaurants in de trendy uitgaanswijk rond de oude Ottomaanse Kopitareva-straat, ofwel ‘Tinkers Alley’.
maandag 28 januari 2008
Ronkende woorden
(brabants dagblad)
Jaren zwoegen op een bundel, bedelen bij uitgevers en hopen op een paar honderd verkochte boeken. God straft wie dichter in Holland wil zijn. Voor Maarten van den Elzen zit er waarschijnlijk nét iets meer in dan een droge boterham. Hij is dichter én uitgever en schnabbelt er nog bij als stadsdichter in zijn dorp Uden. Vrijdagavond sloot de Udenaar de 12e Nacht van het Gedicht af in het Jan van Besouwhuis in Goirle, georganiseerd vooruitlopend op Nationale Gedichtendag donderdag. De Nacht is een goedlopende, oertraditionele voorleesavond met gerenommeerde, maar gewoon aanraakbare poëten, waaronder VSB Poëzieprijs-winnaar Tomas Lieske, Vrouwkje Tuinman en de geboren Tilburger K. Michel. Vanachter het katheder mochten ze een kwartier voordragen uit eigen werk. ‘Hoeveel tijd heb ik nog?’ was de meest gehoorde vraag. Tijd en poëzie, dat gaat niet samen, zei Lieske, die de gong nog net voor was. Op papier is de Haagse dichter een topper, op het podium kwamen zijn gedichten minder goed uit de verf. Waarschijnlijk worden zijn wat wollige liefdesgedichten helderder als je ze vaker achter elkaar hoort. Maar dat is niet natuurlijk niet de bedoeling van een voorleesavond. Schrijfster/dichter Marion Bloem maakte een aangeslagen indruk met zware kost over het noodlot dat in vijf jaar tijd bij vier van haar naasten toesloeg. Albert Megens uit Kaatsheuvel, vervanger van Maria Barnas, tekende voor een relativerende noot met toegankelijke verzen over ‘ons moeder’ en de Tilburgse wevers van weleer, waar hij een bundel aan gaat wijden. Net als de gaapverwekkende braafheid dreigt toe te slaan, verschijnt de tintelfrisse Vrouwkje Tuinman (Den Bosch 1974), een ontwapenende persoonlijkheid, met rake, niet zelden geestige observaties van de moderne mens, met z’n tv, spaarplan en slaapprobleem. Geen hoogdravend gedoe, maar eenvoudige taal over het leven van een licht neurotische, hyperactieve dertiger die haar uitknop zoekt. Want: ‘ik sta altijd aan’. Ex-punkfenomeen Diana Ozon (1959) - met leesbril, maar nog immer wilde haardos - is een rasperformer. Sprankelend declameert ze haar bezwerende, licht melancholieke poëzie. De inspiratie komt niet meer uit de seks, drugs & rock ‘n’ roll (een onsmakelijk, maar fraai gedicht over de ‘toiletdood’ van Elvis uitgezonderd), maar uit het Oorspronkelijke der Natuur en haar Amsterdamse volkstuin (!). Lastiger te duiden zijn de filosofische gedachtekronkels van opkomend talent Hélène Gelèns. ‘Lief’ noemt ze haar vriendje, maar dat is niet genoeg voor hem. Hij wil ‘woorden die ronken’. Ronken, dat doen de bizarre woorden van Gelèns. Ronken én swingen. Waar het over gaat? Dat mag ieder voor zich bepalen.
Jaren zwoegen op een bundel, bedelen bij uitgevers en hopen op een paar honderd verkochte boeken. God straft wie dichter in Holland wil zijn. Voor Maarten van den Elzen zit er waarschijnlijk nét iets meer in dan een droge boterham. Hij is dichter én uitgever en schnabbelt er nog bij als stadsdichter in zijn dorp Uden. Vrijdagavond sloot de Udenaar de 12e Nacht van het Gedicht af in het Jan van Besouwhuis in Goirle, georganiseerd vooruitlopend op Nationale Gedichtendag donderdag. De Nacht is een goedlopende, oertraditionele voorleesavond met gerenommeerde, maar gewoon aanraakbare poëten, waaronder VSB Poëzieprijs-winnaar Tomas Lieske, Vrouwkje Tuinman en de geboren Tilburger K. Michel. Vanachter het katheder mochten ze een kwartier voordragen uit eigen werk. ‘Hoeveel tijd heb ik nog?’ was de meest gehoorde vraag. Tijd en poëzie, dat gaat niet samen, zei Lieske, die de gong nog net voor was. Op papier is de Haagse dichter een topper, op het podium kwamen zijn gedichten minder goed uit de verf. Waarschijnlijk worden zijn wat wollige liefdesgedichten helderder als je ze vaker achter elkaar hoort. Maar dat is niet natuurlijk niet de bedoeling van een voorleesavond. Schrijfster/dichter Marion Bloem maakte een aangeslagen indruk met zware kost over het noodlot dat in vijf jaar tijd bij vier van haar naasten toesloeg. Albert Megens uit Kaatsheuvel, vervanger van Maria Barnas, tekende voor een relativerende noot met toegankelijke verzen over ‘ons moeder’ en de Tilburgse wevers van weleer, waar hij een bundel aan gaat wijden. Net als de gaapverwekkende braafheid dreigt toe te slaan, verschijnt de tintelfrisse Vrouwkje Tuinman (Den Bosch 1974), een ontwapenende persoonlijkheid, met rake, niet zelden geestige observaties van de moderne mens, met z’n tv, spaarplan en slaapprobleem. Geen hoogdravend gedoe, maar eenvoudige taal over het leven van een licht neurotische, hyperactieve dertiger die haar uitknop zoekt. Want: ‘ik sta altijd aan’. Ex-punkfenomeen Diana Ozon (1959) - met leesbril, maar nog immer wilde haardos - is een rasperformer. Sprankelend declameert ze haar bezwerende, licht melancholieke poëzie. De inspiratie komt niet meer uit de seks, drugs & rock ‘n’ roll (een onsmakelijk, maar fraai gedicht over de ‘toiletdood’ van Elvis uitgezonderd), maar uit het Oorspronkelijke der Natuur en haar Amsterdamse volkstuin (!). Lastiger te duiden zijn de filosofische gedachtekronkels van opkomend talent Hélène Gelèns. ‘Lief’ noemt ze haar vriendje, maar dat is niet genoeg voor hem. Hij wil ‘woorden die ronken’. Ronken, dat doen de bizarre woorden van Gelèns. Ronken én swingen. Waar het over gaat? Dat mag ieder voor zich bepalen.
maandag 14 januari 2008
donderdag 10 januari 2008
Joe Jackson: rooklobbyist en romanticus
Bijna dertig jaar na de wave-klassieker Look Sharp! verschijnt op 28 januari Rain, het 23e album van Joe Jackson (1954), na verschillende omzwervingen weer een album met een onmiskenbare Joe Jackson-sound. De Britse pianist/zanger en pro-roken-lobbyist háát interviews, maar maakte voor een keertje een uitzondering.
lees verder
lees verder
maandag 7 januari 2008
donderdag 3 januari 2008
Willy DeVille nog vol vuur
bn/de stem
Hoewel we voor de glorietijd van Willy DeVille en Mink DeVille decennia terug moeten, trekt de rock ‘n’ rollzigeuner nog steeds volle zalen. Lees verder
Hoewel we voor de glorietijd van Willy DeVille en Mink DeVille decennia terug moeten, trekt de rock ‘n’ rollzigeuner nog steeds volle zalen. Lees verder
Huis van Heimwee: hardcore ascese

Twee Tilburgse jongedames sloten zich een week lang op. Zonder koffie, drugs, alcohol, chocola, suiker, tv en internet. Ga der maar aan staan. Lees hier verder!.
dinsdag 1 januari 2008
vrijdag 21 december 2007
Ik zen van Stabroek: Vlaamse Fixkes in Mezz
bn/de stem
Zes jaar geleden speelde de nog tamelijk onbekende West-Vlaming Flip Kowlier voor het eerst in Breda, in Para, voorloper van de Mezz. Hij trad op met de Vlaamse reus Gorki in zijn voorprogramma. Verbazing alom, want had dit niet andersom gemoeten? Ook in Mezz gisteravond leken voor- en hoofdprogramma (Mondo Leone en Fixkes) inwisselbaar. De Vlaamse band Fixkes mag dan wereldberoemd zijn in Vlaanderen, de groep is nog volstrekt onbekend hier, in elk geval onbekender dan haar Nederlandse voorprogramma Mondo Leone, het unieke eenmansorkest van de doorgewinterde muzikant/filmmaker Leon Giesen (Ex-Toontje Lager en muzikaal compaan van Jack Poels). Zou je zeggen, tenminste. Niet dus. Het publiek - gedeeltelijk Vlamingen en grotendeels Ollanders, waarschijnlijk Studio Brussel-adepten, leken enkel en alleen gekomen voor Fixkes. Waar Giesen jammerlijk (en onterecht) afdroop met zijn persoonlijke luisterliedjes, bracht Fixkes met een zelfde soort songs de zaal in vervoering. ‘Ik zen van Stabroek’ begon Sam Valkenborgh, kopman van de band, en daarmee was de dialecttoon gezet, schatplichtig aan de Gentse troubadour Kowlier, die het Vlaamse dialect salonfähig maakte. Fixkes scoren in het dialect van Stabroek, een dorp onder de rook van Antwerpen, een paar kilometer van Putte, en voor Hollanders veel beter te verstaan dan het Izegems van Kowlier. De groep, die amper twee jaar bestaat, concerteerde nog niet eerder op Hollandse bodem, maar maakte in Breda een goede beurt. Het zestal, opgepikt door het Nederlandse Excelsior-label (o.a. Spinvis), kon voor de repertoirekeuze slechts putten uit haar recente debuut vol akoestische (hip)popliedjes in de lome lijn van een G.Love, Jack Johnson of weer, Kowlier. Een debuut met nu al twee megahits, die gedreven werden vertolkt: de ‘klassieker’ ‘Kvraagetaan’, deze zomer vier maanden op één in Vlaanderen - een record - en het pareltje ‘Ongelukkig’, over een ex-lief: ‘Ik zeg ik hoop da ze mij wa mist/da z’een heel heel heel klein bitje ongelukkig is.’ Om te rekken klonk een enkele cover, een dialectversie van Doe Maars ‘Watje’. Fixkes moet het niet zo zeer hebben van de muzikale omlijsting, wel van de spitsvondige pen van de ‘praatzingende’ frontman en songsmid Valkenborgh. Een romanticus pur sang die zijn openhartige liedjes vol overgave met het publiek deelt. Geen zwaar op de maag liggend gedoe zoals bij collega Kowlier, maar openhartige, nostalgische miniatuurtjes over verkering vragen, het opgroeien in een dorp, en het alledaagse leven van een onzekere dertiger, die zich afvraagt waarom hij toch zo geil is; ‘Ik weet da’k gene prins zen maar wel gewoon ne goeie gast’. Met haar lichtvoetige, maar oprechte feelgood-pop kan Fixkes het nog ver schoppen, ook bij de zuiderburen.
Zes jaar geleden speelde de nog tamelijk onbekende West-Vlaming Flip Kowlier voor het eerst in Breda, in Para, voorloper van de Mezz. Hij trad op met de Vlaamse reus Gorki in zijn voorprogramma. Verbazing alom, want had dit niet andersom gemoeten? Ook in Mezz gisteravond leken voor- en hoofdprogramma (Mondo Leone en Fixkes) inwisselbaar. De Vlaamse band Fixkes mag dan wereldberoemd zijn in Vlaanderen, de groep is nog volstrekt onbekend hier, in elk geval onbekender dan haar Nederlandse voorprogramma Mondo Leone, het unieke eenmansorkest van de doorgewinterde muzikant/filmmaker Leon Giesen (Ex-Toontje Lager en muzikaal compaan van Jack Poels). Zou je zeggen, tenminste. Niet dus. Het publiek - gedeeltelijk Vlamingen en grotendeels Ollanders, waarschijnlijk Studio Brussel-adepten, leken enkel en alleen gekomen voor Fixkes. Waar Giesen jammerlijk (en onterecht) afdroop met zijn persoonlijke luisterliedjes, bracht Fixkes met een zelfde soort songs de zaal in vervoering. ‘Ik zen van Stabroek’ begon Sam Valkenborgh, kopman van de band, en daarmee was de dialecttoon gezet, schatplichtig aan de Gentse troubadour Kowlier, die het Vlaamse dialect salonfähig maakte. Fixkes scoren in het dialect van Stabroek, een dorp onder de rook van Antwerpen, een paar kilometer van Putte, en voor Hollanders veel beter te verstaan dan het Izegems van Kowlier. De groep, die amper twee jaar bestaat, concerteerde nog niet eerder op Hollandse bodem, maar maakte in Breda een goede beurt. Het zestal, opgepikt door het Nederlandse Excelsior-label (o.a. Spinvis), kon voor de repertoirekeuze slechts putten uit haar recente debuut vol akoestische (hip)popliedjes in de lome lijn van een G.Love, Jack Johnson of weer, Kowlier. Een debuut met nu al twee megahits, die gedreven werden vertolkt: de ‘klassieker’ ‘Kvraagetaan’, deze zomer vier maanden op één in Vlaanderen - een record - en het pareltje ‘Ongelukkig’, over een ex-lief: ‘Ik zeg ik hoop da ze mij wa mist/da z’een heel heel heel klein bitje ongelukkig is.’ Om te rekken klonk een enkele cover, een dialectversie van Doe Maars ‘Watje’. Fixkes moet het niet zo zeer hebben van de muzikale omlijsting, wel van de spitsvondige pen van de ‘praatzingende’ frontman en songsmid Valkenborgh. Een romanticus pur sang die zijn openhartige liedjes vol overgave met het publiek deelt. Geen zwaar op de maag liggend gedoe zoals bij collega Kowlier, maar openhartige, nostalgische miniatuurtjes over verkering vragen, het opgroeien in een dorp, en het alledaagse leven van een onzekere dertiger, die zich afvraagt waarom hij toch zo geil is; ‘Ik weet da’k gene prins zen maar wel gewoon ne goeie gast’. Met haar lichtvoetige, maar oprechte feelgood-pop kan Fixkes het nog ver schoppen, ook bij de zuiderburen.dinsdag 18 december 2007
Ook den schrijvert is een artiest
brabants dagblad

Oud-Tilburger en bestsellerauteur Kluun presenteert in 013 NightWriters, een literair rock ‘n’ roll circus.
door Dieter van den Bergh
Het idee was natuurlijk gewoon ordinair gejat, zegt Kluun. “Wat Raoul Heertje deed met de Comedytrain, dat wilde ik ook, maar dan met schrijvers. Geen suf gedoe op klapstoeltjes in tl-verlichte achterzaaltjes, maar spektakel in rokerige nachtclubs. Ook de schrijver is een artiest, een entertainer.”
NightWriters - in club Panama in Amsterdam - werd een daverend succes. Onder meer Joost Zwagerman, Hafid Bouazza, Ronald Giphart, Herman Koch, Tommy Wieringa en A.F.Th. waren er NightWriter.
NightWriters gaat deze week voor het eerst het land in met haar succesformule: ‘stand-up writing’, opgepimpt met hippe band, deejay en quiz. Doelgroep: twintigers en dertigers. Donderdag doet het circus het Tilburgse 013 aan, met de auteurs Saskia Noort, Kluun en Christophe Vekeman, popband Alamo Race Track en een ‘Grote’ Tilburgse ‘mystery guest’. Spannend? Nee hoor, zegt initiator en oud-Tilburger Kluun. In het land lopen de mensen doorgaans nog eerder warm voor literatuur dan in ‘blasé Amsterdam’, weet hij. Kluun zou er zelfs niet van opkijken als 013 uitverkocht raakt. “Dat jongeren niet meer zouden lezen is één grote fabel. En iemand die normaal in 013 of Extase uitgaat, wil ook best eens een schrijvert aan het werk zien, maar niet in bieb of parochiehuis.”
Het succesverhaal ‘Kluun’ is bekend. Ex-reclamestrateeg Raymond van de Klundert (1964) - zijn echte naam - brak in 2003 door met Komt een vrouw bij de dokter, een controversiële ‘autobiografische’ roman over een yup die er op los leeft terwijl zijn vrouw terminaal is. Er werden 600.000 exemplaren van verkocht. Opvolger De Weduwnaar (2006) doet het met 400.000 exemplaren ook niet slecht. Recent trok Kluun de aandacht met het ‘geintje’ Lillekemeense.com, een datingsite voor lelijke mensen in Tilburgs dialect. In januari begint hij aan een nieuwe roman over een Brabantse vrijgezel in de jaren tachtig.
In het literaire circuit wordt niet zelden met dédain over de ‘lectuur’ van ‘pulpschrijver’ Kluun geschreven. Maar critici kunnen na NightWriters niet meer om Kluun heen, gezien het indrukwekkende leger aan schrijvers dat hij reeds optrommelde. Kluun: “Ze zien ook wel dat we het zaakje flink aan het ontstoffen zijn. Daar heeft iedereen baat bij, ook de zogenaamd serieuze schrijvers.” Het zijn de journalisten die zeuren, zegt de auteur. “Dat schrijvers op elkaar neerkijken zie je niet gauw, we hebben elkaar hard nodig.”
Schrijvers hebben op dit moment vooral Kluun nodig, zo lijkt het. In zijn shows krijgen ze veel én jong publiek en een fijne beloning. “Wij beschouwen schrijvers als artiesten, dus betalen we goed.” Daar staat wel tegenover dat Kluun de regie in handen heeft. “Wij bepalen wat er voorgelezen wordt. Het publiek moet vermaakt worden. Een auteur die zich er voor schaamt om te entertainen, daar kunnen we niets mee.”
NightWriters kan nog jaren vooruit. Er zijn zelfs tv-plannen. Auteurs die hoog op het verlanglijstje staan: Grunberg, Japin, Verhulst, zelfs Easton Ellis en Houellebecq, maar ook een Heleen van Royen. “Zolang we het publiek verrassen, hebben we succes.”
NightWriters, donderdag 20 december 013, Grote Zaal, Tilburg, 20.30u. Van NightWriters verscheen recent een best of-bundel.

Oud-Tilburger en bestsellerauteur Kluun presenteert in 013 NightWriters, een literair rock ‘n’ roll circus.
door Dieter van den Bergh
Het idee was natuurlijk gewoon ordinair gejat, zegt Kluun. “Wat Raoul Heertje deed met de Comedytrain, dat wilde ik ook, maar dan met schrijvers. Geen suf gedoe op klapstoeltjes in tl-verlichte achterzaaltjes, maar spektakel in rokerige nachtclubs. Ook de schrijver is een artiest, een entertainer.”
NightWriters - in club Panama in Amsterdam - werd een daverend succes. Onder meer Joost Zwagerman, Hafid Bouazza, Ronald Giphart, Herman Koch, Tommy Wieringa en A.F.Th. waren er NightWriter.
NightWriters gaat deze week voor het eerst het land in met haar succesformule: ‘stand-up writing’, opgepimpt met hippe band, deejay en quiz. Doelgroep: twintigers en dertigers. Donderdag doet het circus het Tilburgse 013 aan, met de auteurs Saskia Noort, Kluun en Christophe Vekeman, popband Alamo Race Track en een ‘Grote’ Tilburgse ‘mystery guest’. Spannend? Nee hoor, zegt initiator en oud-Tilburger Kluun. In het land lopen de mensen doorgaans nog eerder warm voor literatuur dan in ‘blasé Amsterdam’, weet hij. Kluun zou er zelfs niet van opkijken als 013 uitverkocht raakt. “Dat jongeren niet meer zouden lezen is één grote fabel. En iemand die normaal in 013 of Extase uitgaat, wil ook best eens een schrijvert aan het werk zien, maar niet in bieb of parochiehuis.”
Het succesverhaal ‘Kluun’ is bekend. Ex-reclamestrateeg Raymond van de Klundert (1964) - zijn echte naam - brak in 2003 door met Komt een vrouw bij de dokter, een controversiële ‘autobiografische’ roman over een yup die er op los leeft terwijl zijn vrouw terminaal is. Er werden 600.000 exemplaren van verkocht. Opvolger De Weduwnaar (2006) doet het met 400.000 exemplaren ook niet slecht. Recent trok Kluun de aandacht met het ‘geintje’ Lillekemeense.com, een datingsite voor lelijke mensen in Tilburgs dialect. In januari begint hij aan een nieuwe roman over een Brabantse vrijgezel in de jaren tachtig.
In het literaire circuit wordt niet zelden met dédain over de ‘lectuur’ van ‘pulpschrijver’ Kluun geschreven. Maar critici kunnen na NightWriters niet meer om Kluun heen, gezien het indrukwekkende leger aan schrijvers dat hij reeds optrommelde. Kluun: “Ze zien ook wel dat we het zaakje flink aan het ontstoffen zijn. Daar heeft iedereen baat bij, ook de zogenaamd serieuze schrijvers.” Het zijn de journalisten die zeuren, zegt de auteur. “Dat schrijvers op elkaar neerkijken zie je niet gauw, we hebben elkaar hard nodig.”
Schrijvers hebben op dit moment vooral Kluun nodig, zo lijkt het. In zijn shows krijgen ze veel én jong publiek en een fijne beloning. “Wij beschouwen schrijvers als artiesten, dus betalen we goed.” Daar staat wel tegenover dat Kluun de regie in handen heeft. “Wij bepalen wat er voorgelezen wordt. Het publiek moet vermaakt worden. Een auteur die zich er voor schaamt om te entertainen, daar kunnen we niets mee.”
NightWriters kan nog jaren vooruit. Er zijn zelfs tv-plannen. Auteurs die hoog op het verlanglijstje staan: Grunberg, Japin, Verhulst, zelfs Easton Ellis en Houellebecq, maar ook een Heleen van Royen. “Zolang we het publiek verrassen, hebben we succes.”
NightWriters, donderdag 20 december 013, Grote Zaal, Tilburg, 20.30u. Van NightWriters verscheen recent een best of-bundel.
woensdag 12 december 2007
Strip Turnhout: walhalla voor de stripofiel

Strip Turnhout is het grootste stripfestival van de Benelux. De jubileumeditie biedt onder meer raceheld Michel Vaillant en een verstripte Spinvis en Jan Wolkers.
door Dieter van den Bergh
TURNHOUT Strips en België, het is bijna een vanzelfsprekende combinatie. Dé stripstad van België is Turnhout. De Vlaamse cultuurminister wil er zelfs de stripstad van de Benelux van maken. Niet alleen de wieg van Paul Geerts, dertig jaar lang Suske en Wiske-tekenaar, stond er, de Kempische hoofdstad - 40.000 inwoners, dertig kilometer van Tilburg - is sinds 1977 het toneel van het tweejaarlijkse Strip Turnhout, voorheen de Turnhoutse Stripgidsdagen, met zo’n 20.000 bezoekers het grootste stripfestijn van de Benelux. Het festival speelt zich hoofdzakelijk af in schouwburg de Warande.
Stripheld Michel Vaillant, Spinvis, Suske en Wiske, Hans Dorrestijn, een verstripte Jan Wolkers, Fokke & Sukke. Ze staan gebroederlijk op het affiche van Strip Turnhout. Voor haar dertigste verjaardag pakt het grotendeels gratis toegankelijke festival flink uit. Er zijn expo’s, lezingen, ruilbeurzen, signeersessies, interviews, en er is muziek en animatiefilm. Meer dan honderd internationale tekenaars zijn aanwezig, zowel uit de mainstream als uit de underground. Uiteraard de crème de la crème van de Vlaamse stripwereld, zoals een reeks oud-medewerkers van wijlen Willy ‘Suske en Wiske’ Vandersteen, maar ook de Nederlanders Erik Kriek (Gutsman), Jean-Marc van Tol (Fokke & Sukke) en de Amerikanen Peter Kuper (MAD Magazine) en stripgoeroe Scott McCloud (Superman). Uiteraard is er ook een kinderprogramma, met onder meer F.C. De Kampioenen en acteur Jelle ‘Kuifje’ Cleymans.
Muzikant Spinvis uit Nieuwegein reist op zondag 16 december met band af naar Turnhout voor een uniek eenmalig concert. Op speciale uitnodiging sluit hij het stripfestijn af met een concert dat ‘live’ geïllustreerd wordt door bekende stripmakers, zoals de Nederlanders Hanco Kolk en Maaike Hartjes en hun Vlaamse collega’s Lectrr en Kim Duchateau, alias Kim. Deze laatste is eregast op het festival. Hij krijgt de felbegeerde Bronzen Adhemar uitgereikt, de Vlaamse Cultuurprijs voor de Strip, de enige stripprijs ter wereld die vanuit overheidswege wordt uitgereikt. ‘Kim’ krijgt de prijs overhandigd door de éminence grise van de Europese strip Jean Graton, de 84-jarige geestelijk vader van de autoracende stripheld Michel Vaillant, goed voor 20 miljoen verkochte albums. De Fransman - het is zijn eerste signeersessie in Vlaanderen ooit - mag tevens zijn eigen overzichtsexpositie ‘Vrooaw! 50 jaar Michel Vaillant’ openen. Voor het eerst wordt er ook het ‘OFF-festival’ gehouden met tentoonstellingen in Turnhout en omliggende Kempische steden. Zoals ‘30 jaar Kiekeboe!’, rond de populaire stripreeks van Merho, ingeluid door onder meer cabaretier Hans Dorrestijn. Ook is er een tentoonstelling met de stripversie van Kort Amerikaans van Jan Wolkers, fraai getekend door de bekroonde Dick Matena, die eerder De Avonden verstripte. Matena speelt een thuiswedstrijd: hij verruilde onlangs het hippe Amsterdam voor het nog hippere Turnhout. Ongetwijfeld vanwege het aangename stripklimaat.
Strip Turnhout, 14 t/m 16 december, Warande Turnhout. Vrijwel alle activiteiten zijn gratis toegankelijk. www.stripturnhout.be.
Abonneren op:
Posts (Atom)


