
vrijdag 2 april 2010
woensdag 24 maart 2010
dinsdag 23 maart 2010
Vlammende flamenco 'Spaanse Brabander'
(Brabants Dagblad 22 maart)
Vlammende flamenco van 'Spaanse Brabander'
door Dieter van den Bergh
Theaterpubliek heeft soms de neiging om nogal snel mee te gaan klappen zodra er op het podium geklap klinkt, zeker bij een concert. Dit was gistermiddag bij het flamencoconcert van Maurice Leenaars ondoenlijk, gelukkig. De ritmes van de Spaanse ‘handenklappers’ (palmeros) aan zijn zijde waren namelijk onnavolgbaar. De Andalusische flamenco berust voor een deel op improvisatie en is voor westerse begrippen geen gemakkelijke muziek; je weet nooit welke kant het opgaat.
De Tilburger Maurice Leenaars (1966), bijgenaamd ‘de Spaanse Brabander’, is een meester in het pure flamencogenre en na Eric Vaarzon Morel - die soms net wat krachtiger uithaalt - misschien wel de beste Nederlandse flamencogitarist. Gistermiddag presenteerde hij in Theater De NWE Vorst in Tilburg zijn derde cd, El Calor, de hitte, met tien zelfgeschreven instrumentale composities. Na projecten met saxofonist Paul van Kemenade en een Spaanse zanger is het de eerste cd waarop zijn eigen solo’s centraal staan. De plaat werd afgelopen zomer deels in Barcelona opgenomen met een Spaanse percussionist, dankzij bemiddeling van de manager van flamencogrootheid Paco de Lucía. In De Vorst werd Leenaars bijgestaan door de in Nederland woonachtige Spanjaarden Miguel García (cajón), de ijzersterke zanger José Ligero en danser Juan Reyes, en gitarist Paul Hagenaars en saxofonist Guido ‘Beef’ Nijs.
Termen als ‘warmbloedig’, ‘temperamentvol’ en ‘vingervlug’ liggen op de loer, maar Leenaars - al een orkest in zijn eentje - gaat beyond clichés met zijn stoere mannelijke danser, zijn uitstapjes naar andere stijlen en met zijn bezielde spel met dynamiek en compás, het karakteristieke ritme dat zorgt voor een harmonische structuur. Een vorm die vaak hetzelfde is. Dit maakt dat de flamenco voor veel toehoorders vooral iets klagerigs heeft, terwijl het net zo goed euforisch kan zijn. Pijn en vreugde lopen naadloos in elkaar over, ook bij Leenaars, daarom is zijn verhaal achter de compositie vaak geen overbodige luxe. Zoals het verhaal achter het indrukwekkende ‘Companerita Mia’, opgedragen aan zijn gisteren op de dag af drie jaar geleden overleden vriendin en moeder van zijn twee kinderen. Een andere opvallende track is de rustieke ‘Rumba Alzapúa’, opener van de nieuwe cd, maar al een tijdje een heuse YouTube-hit, voor flamencobegrippen dan. Over hits gesproken: de zwoele chanson ‘L’été’ - met saxofoon - is de eerste radiosingle die de Tilburger uitbrengt. De opperste staat van bezieling - de duende, het magische moment waarop muzikanten én publiek volledig in de muziek opgaan - waarde gisteren rond in vele songs, behalve uitgerekend in dit lichtvoetige nummer. Maar dat een Brabander die fulltime van flamenco moet leven ook eens een licht commercieel knievalletje maakt, valt hem in het geheel niet aan te rekenen.
Het concert in De NWE Vorst werd opgenomen door de VPRO en is in april terug te beluisteren op Radio 6. De cd El Calor van Maurice Leenaars is te bestellen via www.mauriceleenaars.com
zaterdag 20 maart 2010
vrijdag 19 maart 2010
donderdag 11 maart 2010
woensdag 10 maart 2010
zondag 7 maart 2010
dinsdag 2 maart 2010
donderdag 18 februari 2010
dinsdag 9 februari 2010
dinsdag 2 februari 2010
Van Lieshout smaakmaker op poëzienacht

(Brabants Dagblad 01-02-10)
Van Lieshout smaakmaker op traditionele poëzienacht
door Dieter van den Bergh
“Goedenavond, welkom in de poëziebus! Bent u een bezoeker, of bent u soms een dichter?” “Ach”, zegt Ted van Lieshout, “ik schrijf wel ‘s een versje, het mag geen naam hebben.”
Ook aangeschoven in de luxe touringcar: dichter Arjen Duinker en lokale poëet Chris van de Ven. En één poëziefan. De reis gaat van Tilburg Centraal naar de 14e Nacht van het Gedicht in het Jan van Besouwhuis in Goirle. Onderweg verzorgt Louis Raaijmakers de poëtische warming-up met werk van optredende dichters. Om te beginnen met Duinker. “En, las hij het zoals je het bedoeld hebt?”, vraagt Van Lieshout. “Ja hoor”, bromt Duinker, “alleen bedoel ik nooit wat.” Bij het voetbalstadion is een opstopping. Supporters staren verbaasd naar de poëziebus. “Hier heb ik een mooie Van Pamelen voor”, zegt Raaijmakers om de spanning te doorbreken, en draagt voor uit ‘Ongeloof’: ‘Soms gaat het mijn verstand al ver te boven/Het horen van zo’n onwaarschijnlijk feitje/Maar nu kan ik mijn oren helemaal niet meer geloven/ Want Willem II staat in het linkerrijtje.’ “Tja, da’s een poos geleden”, verzucht de performer. Als de bus eindelijk Goirle binnenrijdt, komt het gesprek op ‘Misbruik’, het gedicht dat woensdag een grote wedstrijd won. “Ik vind het niks”, zegt Van Lieshout. “Zo leer je het op school.” “Aanstelleritis”, gromt Duinker, “geloof er geen snars van.”
Binnen zorgt Duinker met zijn lichtmystieke poëzie, warme stem en vlekkeloze voordracht voor een fraaie opening. Wetenschapper/dichter Wiljan van den Akker haalt zijn inspiratie uit het alledaagse en laat horen ‘hoe de taal met de dingen weg kan lopen’. “U kent het wel, lig je net lekker in bed, komt er een woord in je op dat met je op de loop gaat.” De intense gedichten van Olaf Douwes Dekker zijn een verademing na de oubollige oud-Hollandse verhalen van Aafke Steenhuis. Met plezierdichter en afsluiter Frank van Pamelen kun je lachen, is het (terechte) idee, maar ook met Ted van Lieshout. De Eindhovenaar, veelgelauwerd dichter/schrijver/illustrator, is de enige echte publiekstrekker, wat wellicht de matige opkomst verklaart. Van Lieshout onderscheidt zich omdat hij schrijft vanuit het perspectief van een kind. Zijn voordracht is cabaretesk, met gedichten die bol staan van heerlijk naïeve, filosofische humor. Van maggiblokjeslikken, het kopen van toiletpapier en olifantenjam tot ontroerende kinderdilemma’s. Vaak autobiografisch, zoals ‘Ik heb u niet verraden’, over de relatie die hij als kind had met een volwassen man: ‘Ik zorg voor u/Ik zorg al honderd duizend miljoen jaren langer voor u dan een kind kan duren/Maar ik zal uw naam niet noemen’.
De serieuze Vlaamse reus Leonard Nolens kan er niet echt om lachen: “Dit is toch wel iets heel anders dan wat ik doe.”
Maar het zijn juist tegendraadse dichters als Ted van Lieshout die - ondanks een gedegen warming-up - voorkomen dat je niet volstrekt uitgeput bent na een avond poëzie ondergaan.
Stand up comedy still going strong

(uit BN/De Stem 28-01-10)
‘Jij en je microfoon, that’s it’
Er was een tijd dat zowat ieder café zijn eigen comedy-avond had. De hype waaide over, maar Publieke Werken in Breda blijft na tien jaar nog stug stand-up comedy programmeren. Met succes. Op 1 februari is er een Comedy Night met kopstuk Bob MacLaren.
door Dieter van den Bergh
De tune van Everybody needs somebody, het teken dat de Comedy Night - de januari-editie - gaat beginnen. MC Neville Raven rent het podium van Publieke Werken op en zet de toon. “Dames vooraan, willen jullie alsjeblieft niet zo met de armen over elkaar gaan staan, het staat zo defensief. Ik beloof het, ik zal niet naar jullie borsten staren.”
Raven heeft de ondankbare taak om publiekstrekker Arie Koomen (‘bekend van tv’) te vervangen. Maar met zijn flitsende anekdotische grapjes heeft de Engelse Amsterdammer al snel de lach aan zijn kont hangen. Als ‘master of ceremonie’ kondigt hij de drie stand-uppers van de avond aan. “Ladies and gentlemen, here is, all the way from Amersfoort, Bert Kosterrrrr!”
Terwijl Raven zich naar het biljart begeeft, beklimt Koster met gevulde bierpul het podium. “Jullie denken natuurlijk, waar is je sigaar? Tja, ik denk, je zult hier wel niet mogen roken, dus die heb ik godverdomme thuis gelaten.” De doorgewinterde stand-upper (58 jaar) cultiveert zorgvuldig het imago van ouwe Amsterdamse zeur met tegenzin in het leven - à la Archie Bunker. In knarsend Jordanees: “Ik kom laatst bij de dokter, had al drie weken last van een goed humeur. Zegt ie: ‘Misschien moet je ’s modderbaden proberen’. Ik zeg: ‘Helpt dat dan?’ ‘Nee’, zegt ie, ‘dat niet. Maar dan ken je alvast wennen aan de grond’.”
Koster is een publieksteaser, al zijn z’n grappen soms jaren oud. Na Koster is het de beurt aan Joke Sitsen, een zeldzame vrouw in het stand-up circuit. Met haar grappen over zwangerschappen en andere ‘vrouwenkwaaltjes’ oogst ze minder succes. “Wel grappig”, grinnikt een bezoeker, “heet je ‘joke’, maar ben je juist helemáál niet grappig.”
De Comedy Night is al jaren een vaste traditie in Café Publieke Werken in Breda. De avond droeg eerder de naam van bierproducenten en een sigarettenfabrikant, nu gebruikt een antiek Fries kruidenbitter de landelijke komedieavonden als uithangbord. De avonden zijn namelijk in trek bij studenten, precies de doelgroep waar de fabrikant op mikt. Wie het drankje nog niet kent, geen probleem: aan de poort krijgt iedereen een gratis glaasje. Vanavond is de kruidenbitter nauwelijks aan te slepen, de opkomst is met zo’n 120 bezoekers groot.
Hoewel het café aan de Sint Annastraat normaal gesproken dicht is op maandag, zet eigenaar Bas Fierst de deuren van zijn zaak graag één keer per maand open voor de Comedy Night. Tien jaar geleden begon hij ermee, in een tijd dat je het nog bijna nergens zag. Steeds meer kroegen gingen stand-up programmeren, maar haakten ook weer af. Zowat als enige in West-Brabant overleefde Publieke Werken de hype, het café bleef stug comedy programmeren. “Ik geloof in stand-up comedy”, zegt Fierst, “maar vooral in kwaliteit. En dat bieden wij.”
“Publieke Werken is een warm bad voor de stand-up comedian”, zegt Edgar Rodrigues Pereira (30), tourmanager van het landelijke Comedy Night-circus. Zijn ouders begonnen vijftien jaar geleden het Comedy Café in Amsterdam, het ‘Paradiso’ voor de stand-upper, dat ook de Comedy Night organiseert. Pereira zag een paar jaar terug onder invloed van tv-programma’s als The Comedy Factory en Raymann is laat (waar Peireira nauw mee samenwerkt) een wildgroei ontstaan aan comedy-avonden. “Daar zat veel bagger tussen. Alleen kwaliteit bleef over, zoals Toomler en Comedy Café dat bieden.”
Headliner van vanavond is Martijn Oosterhuis, die een strakke, licht geëngageerde show neerzet. Met zestien professionele comedyjaren is Oosterhuis, die nog bij De Lama’s speelde, een veteraan in het vak. Wat maakt stand-up anders dan cabaret? “Cabaret is verhalend, zoals een roman, stand-up is een verhalenbundel vol flitsende verhaaltjes. Het is jij en je microfoon, en zo snel en veel mogelijk scoren, that’s it.”
Hoe komt het dat er zo weinig vrouwen actief zijn binnen de stand-up? Oosterhuis zoekt het in biologische factoren: “Een vrouw heeft er geen natuurlijk belang bij om grappig te zijn. Ze moet lief zijn en mooi, en niet grof of grappig. Een man wil juist met humor indruk maken op de vrouwtjes. Het is heel oneerlijk, maar tegen grappige vrouwen heerst een aversie, ze zijn bedreigend, want onnatuurlijk.” Wil een vrouw de lach krijgen, dan moet ze wel verdómd goed zijn, zegt de Amsterdamse comedian. “Zoals bijvoorbeeld Kristel Zweers, een uitzondering.”
Toch zie je in het publiek juist wél veel vrouwen. Oosterhuis weet wel hoe dat komt: “Ze hebben allemaal een contactadvertentie gezet: ‘Gezocht: mannen met humor’.”
Comedy Night, eerste maandag van de maand, Publieke Werken, Sint Annastraat Breda, aanvang 20u, entree negen euro. Info: www.sonnema.nl.
zaterdag 30 januari 2010
donderdag 28 januari 2010
maandag 25 januari 2010
Tweede Cultuurnacht Breda
(uit BN/De Stem 23 januari)
Feestend cultuur snuiven in galmend Breda
door Dieter van den Bergh
BREDA - “Pap, we zouden nu toch naar het Breda’s Museum gaan?” “Maar mam, ík wilde juist naar het Chassé.” Een gezin met tienerkinderen worstelt bij de uitgang van de bibliotheek met een dilemma, een luxeprobleem eigenlijk; want waar ga je heen tijdens de Cultuurnacht? Het passe-partout van zes euro biedt toegang tot tientallen optredens en exposities en tot vrijwel alle musea van de stad. Met weliswaar gratis vervoer (per bus of paardentram), maar alles zien in ondoenlijk. Ruim dertig musea, theaters, poppodia en andere kunst en cultuurinstellingen - meer dan vorig jaar - legden gisteravond tussen zeven en twee de rode loper uit, voor vaak een speciaal, eenmalig programma. Het thema van dit jaar: ECHOoo. Er waren echo’s uit het verleden, zoals de herinneringsbus van Pluspunt op de Grote Markt en het openstelde NAC Museum, er werd gebruik gemaakt van echografie, van lichteffecten, schimmenspel en ‘design-echo’s’, maar ook de echo als geluid werd uiteraard volop aangewend, en niet alleen door het zeer prominent aanwezige Klokkenluiders Gilde Breda.
Alle bekende plekken deden mee, maar ook spannende onbekende, waar je doorgaans niet zomaar binnenwipt of geen ‘live-kunst’ verwacht. Zoals bij uitgeverij De Geus, waar schrijvers als Rachid Novaire en Marian Boyer voorlazen, bij dansgezelschap De Stilte, dat een fraai spel van golven en repeterende ritmes opvoerde, of bij de Oude Vest 4, het oude postkantoor waar in het monumentale trappenhuis het mysterieuze oorlogsverleden van het pand op multimediale en geëngageerde wijze werd ontrafeld door de daar gevestigde creatieve bedrijfjes. Kers op de taart hier was ‘het uitzicht over de Cultuurnacht’ vanuit de hoge toren, waar je normaal gesproken niet zomaar belandt. Het pas geopende Gebouw C aan de Reigerstraat pakte uit met een foto-expositie en een geïmproviseerde filmzaal, waar de bezoeker korte films kon kijken, al liggend op een comfortabel Fatboy-bedje.
Ook het treinstation werd benut. De aloude kleurrijke tegeltjestunnel kreeg er een extra dimensie bij dankzij een kameleontisch lichtspel van IDFX. Met hun ‘echo van licht’ - een ode aan ‘tegeltjesontwerper’ Peter Struycken - pimpte ze de poort naar Belcrum, waar een belangrijk deel van het programma plaatsvond. Zoals in KOP, waar een experimenteel violiste op originele wijze weerklank vond bij een danseres. Maar dé verrassing van de avond schuilde in een klein hoekje aan de Belcrumhaven; het Aardappel Imperium (hAI), sinds dit najaar gevestigd in de tekenkamer van de oude Backer & Rueb Machinefabriek. Achter het minuscule undergroundcafé blijkt een fraaie galerie te schuilen vol heerlijke designgadgets en kunst.
Het was soms dringen en zweten, zoals bij expositieruimte Plaats, waar het moderne jazzensemble Airkraft optrad, of bij café Het Hijgend Hert, waar het nieuwe Bredase kunstenaarscollectief Subuk de zintuigen prikkelde met een kartonnen multimediale machine waar je doorheen kon lopen. Maar wachtrijen konden de pret niet drukken; de feeststemming nam alleen maar toe. Want laat op de avond kon er natuurlijk ook gedanst worden. Niet alleen de arty-farty-disco in het Aardappel Imperium had zijn aanvang genomen, op meerdere plekken draaiden de voor de gelegenheid opgestelde deejays op volle toeren.
Een cultuurnacht om te koesteren, al is het alleen maar omdat het ook wel eens lekker is om laat op de avond met de jas nog aan en een biertje achter de kiezen al zappend high culture te snuiven.
vrijdag 22 januari 2010
Van Tsai Ming-liang tot Nicolas Cage
donderdag 21 januari 2010
Interview Angelique Kidjo

(Brabants Dagblad, 20 januari 2010)
“Dit is het verhaal van mijn jeugd”
Afro-ster en activiste Angelique Kidjo maakt plaat met pop uit haar jeugd. Op 31 januari staat ze in 013.
door Dieter van den Bergh
Met kerst was ze nog ‘thuis’ in kuststad Cotonou in Benin, om de 83e verjaardag van haar moeder te vieren. De eerste verjaardag zonder haar vader, die vorig jaar overleed. De liedjes van haar plaat Oyo heeft hij nooit gehoord. Helaas niet, zegt zangeres Angelique Kidjo vanuit New York, waar ze woont met haar man, de muzikant Jean Hébrail, en hun 17-jarige dochter Naïma. Ze is benieuwd wat hij van haar versie van Petite Fleur zou vinden. Het oude liedje van New Orleans-klarinettist Sidney Bechet was zijn favoriet.
“Dit is het verhaal van mijn jeugd”, zegt Kidjo over Oyo (schoonheid). De plaat staat vol herinneringen aan haar Beninse jaren, die haar muzikaal vormde. Afrikaanse songs, zoals Atcha Houn, het eerste lied dat ze als zesjarige voor publiek zong, maar vooral funk en soul van artiesten als James Brown, Curtis Mayfield en Aretha Franklin. ‘Hadden jullie die muziek dan vroeger in Afrika?, vragen ze Kidjo niet zelden verbaasd. “Ja”, antwoordt de zangeres dan lichtelijk geïrriteerd, “en we reden ook niet meer op olifanten.”
Kidjo (Ouidah 1960) groeide op in een ‘educated family’, zoals ze zelf zegt. Haar vader, opgeleid in Dakar en Parijs, ging om met intellectuelen. Iedereen móest naar school, vonden ze thuis. En sporten. Want als je lichaam gezond is, kun je alles beter. Ook musiceren. “Mijn vader vond dat we een muziekplicht hadden omdat we talentvol waren. Zelf speelde hij banjo in een jazzband; Sinatra, Armstrong, Nat King Cole, de crooners. Hij speelde vaak na het avondeten voor ons. Mijn moeder was klarinettist en choreograaf en mijn broer speelde westerse soul en rock. Muziek die op de radio werd gedraaid en die je in de platenzaken kon kopen. Tot 1972 dan, toen de dictator westerse muziek in de ban deed. Pas op mijn twaalfde ging ik me afvragen waarom er zwarte mensen op die Amerikaanse elpeehoezen stonden: hoe kon je én Afrikaans én Amerikaans zijn. Toen leerde ik over de slavernij.”
Oyo verschijnt dertig jaar na Kidjo’s debuut Pretty (1980), waarmee ze haar naam vestigde in West-Afrika. Drie jaar later slaat de zangeres op de vlucht voor het marxistische regime van Mathieu Kérékou. “Zes jaar heb ik niet met mijn ouders kunnen praten, verschrikkelijk. Ik zat op een flatje in Frankrijk en keek Out of Africa op tv. Ik jankte het uit. Hoe romantisch die film ook is, dat was op dat moment mijn link met Afrika. Ik rook de lucht, de bomen, de planten. It doubled my pain.” Het thema van Out of Africa belandde op Oyo.
De plaat is overgoten met die typische Kidjo-saus; een crossover van Afrikaanse muziek, funk, r&b, soul en hiphop. Al zijn het dit keer vooral covers, zoals I Got Dreams van Otis Redding, Santana’s Samba Pa Ti (met trompettist Roy Hargrove), James Brown’s Cold Sweat en Baby I Love You van Aretha Franklin (met Dianne Reeves).
Een ogenschijnlijk vreemde eend in de bijt is Dil Main Chuppa Ke Pyar Ka, titelsong van de Indiase filmkraker Aan (1952). “Bollywood was hier eerder dan Hollywood. Aan heb ik als kind wel tien keer gezien, heerlijk, elke keer weer delfde het kwaad het onderspit.”
Speciale plekjes op Oyo zijn ingeruimd voor de in 1973 gestorven zangeres Bella Bellow uit Togo en voor Miriam Makeba, de in 2008 overleden koningin van de Afrikaanse muziek. Makeba was een vriendin en rolmodel. “Zonder haar was ik niet geworden wie ik nu ben. Meisjes die optraden, dat waren junkies of hoeren. En dus onhuwbaar. Maar toen kwam Miriam, en zag ik dat het wél kon. Ik besloot hetzelfde te gaan doen. Mijn sekse zal nooit bepalend zijn voor wat ik doe, net zo min als mijn huidskleur.”
Sinds 2002 is Kidjo Unicef-ambassadeur. Ook runt ze stichting Batonga, die zich inzet voor onderwijs van Afrikaanse meisjes. Onlangs was ze aanwezig bij de klimaattop in Kopenhagen om aandacht te vragen voor de extreme droogte in veel Afrikaanse landen.
Wil je Afrika helpen, stort dan geen geld, zegt de bevlogen diva, want het verdwijnt. Ga zelf het Afrikaanse veld in, zoals haar muziekvriend en medeactivist, de zanger John Legend onlangs deed. Natuurlijk zei Legend ‘ja’ toen Kidjo hem vroeg voor een duet in Curtis Mayfields Move On Up.
Zonder haar liberale en muzikale vader had ze artiesten als Curtis Mayfield nooit ontdekt. Dus droeg ze Oyo aan hem op. “Waar hij nu ook is, ik hoop dat hij deze plaat kan beluisteren, zodat hij ziet dat ik aan mijn muziekplicht heb voldaan.”
Angelique Kidjo, 31 januari, Grote Zaal 013, Tilburg
vrijdag 15 januari 2010
Spartelende lijven & stomende rock

(Brabants Dagblad, 14-01-10)
Spartelende lijven op pompende adrenalinerock
door Dieter van den Bergh
Hoe klinkt het menselijk lichaam als muziekinstrument? Bevreemdend, maar ook een beetje grappig, zo bewijzen drie muzikanten die zich aan het begin van de voorstelling nieuwZwart ritmisch mogen uitleven op weerloze naakte lijven. Met nieuwZwart leveren choreograaf Wim Vandekeybus en zijn ensemble Ultima Vez. wederom een spraakmakende dansvoorstelling af. Wat de Vlaming voor ogen had was een ‘rockconcert zonder in het cliché te vervallen van het bandje dat songs staat te spelen’, zo vertelde hij voor aanvang. Vandekeybus werkte eerder met muzikanten als Arno, Marc Ribot, David Eugene Edwards en David Byrne. Dit keer koos hij voor live-muziek van Mauro Pawlowski, onder meer gitarist van dEUS, die wordt bijgestaan door gitarist Elko Blijweert en drummer Jeroen Stevens. Hun hallucinerende, soms snoeihard pompende (stoner)rock werd de hartslag van een theatraal en poëtisch dansspektakel. De Vlaamse choreograaf selecteerde zeven nieuwe, frisse dansers, een internationaal gezelschap met drie vrouwen en vier mannen tussen de 17 en 21 jaar. Niet per se de beste dansers, maar de meest geschikte voor deze energieke show. “Ik wilde enkel nieuwe bewegingen”, aldus Vandekeybus. Om zijn dansers zo veel mogelijk creatieve vrijheid te geven en zo min mogelijk te beïnvloeden repeteerden ze twee weken in het donker. Donker is het ook bij aanvang van nieuwZwart, als de dansers in glinsterend gouden folie het podium opkronkelen. De knisperende folie, een inventieve vondst, speelt ook naar de climax toe een belangrijke rol.
Wat de kijker voorgeschoteld krijgt, is een apocalyptisch universum, waarin dolende, vaak gekwelde wezens hun oerdriften niet kunnen bedwingen. De kijker wordt nog verder het moeras ingezogen door de duistere teksten van Peter Verhelst, indrukwekkend gedeclameerd door de Australische Kylie Walters, soms à la new wave-poëet Anne Clark. Walters is vanavond het gezicht van de vrouwelijke versie van nieuwZwart, want er is ook een mannelijk variant. Haar Engelse teksten zijn niet boventiteld, bewust niet, zo vertelt Vandekeybus, “want je hoeft niet elk woord letterlijk te nemen, het gaat om associaties.” Associaties met de menselijke evolutie, met voorplanting, geboorte en dood liggen voor de hand in dit existentialistische stuk, waarin de primitieve dierlijke instincten heersen. Dansers kronkelen als larven en rupsen over elkaar, kreunend en hijgend, ze springen als bokken en sprinkhanen rond, spartelen spastisch als een vis op het droge of een schilpad zonder schulp. Ze huppelen rond als naïeve kinderen, omhelzen elkaar liefdevol, maar gaan zich even later even gemakkelijk te buiten aan agressief gedrag en seksueel getinte uitspattingen.
“Het theater moet een andere planeet zijn, een stuk moet vervreemden, zonder per se te provoceren”, zegt Vandekeybus. In deze opzet is de Vlaming ruimschoots geslaagd met dit woeste, fysische spektakelstuk, vol jonge lijven die magistraal bewegen op overdonderde adrenalinerock.
NieuwZwart van Wim Vandekeybus/Ultima Vez en Mauro Pawlowski, gezien 12 januari Chassé Breda. Te zien, 26 januari Theaters Tilburg, 20.15u. Met om 19.15u een inleiding. Ook te zien vanavond in Schouwburg Rotterdam, 20 januari Stadsschouwburg Utrecht, 22 januari Kunstmin Dordrecht.
maandag 11 januari 2010
zondag 3 januari 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)

















